Het kon niet uitblijven of wij kregen bezoek van een grote bladsnijder. Dat is een vrij grote bij, met brede voorpootjes en een behaarde borst om stuifmeel mee te verzamelen. Dat borsthaar wordt een buikschuier genoemd. Op de foto staat een mannetje, herkenbaar aan een borstelsnor van Kader Abdolah-achtige allure.

Deze bij hoort bij de behangersbijen, die hun broedcellen bekleden met stukjes blad. Die stukjes blad knagen ze zelf uit levende bladeren. De grote bladsnijder brengt de uitgeknaagde stukjes blad naar haar holletje, in zelf gegraven gangen of in bijvoorbeeld een oude kevergang in hout. Daarin nestelt ze. Ook bamboestengels worden gebruikt.

Zoals veel bijen legt een behangersbij eerst enkele bevruchte eitjes, het diepst in de gang. Het voorste deel wordt gevuld met onbevruchte eitjes. Dat doet ze niet zonder reden. In de volgende lente komen de onbevruchte eitjes het eerst uit. Daaruit komen de mannetjes.

Die vliegen uit en maken zo de weg vrij voor de vrouwtjes. Die worden opgewacht door hitsige mannen. De mannetjes sterven na de daad en zijn verder nutteloos. Vrouwtjes zijn belangrijker. Die zitten dieper in het hol en zijn daar veiliger voor vijanden, van sluipwespen tot spechten.

Er zijn in Nederland vijftien soorten behangersbijen, en hopelijk huisvest onze tuin er meer, want op de grote na zijn ze allemaal zeldzaam, met inbegrip van de gewone behangersbij.